Naar de inhoud
Cedrus Trading

Duurzaamheid en regels

CSRD en scope 2

Sinds Omnibus I vallen veel minder ondernemingen onder de CSRD, maar afnemers en aanbesteders blijven vragen naar de uitstoot van ingekochte stroom. Dit artikel behandelt wie moet rapporteren, hoe u scope 2 op twee manieren berekent en welke bewijsstukken u bewaart.

De CSRD na Omnibus I

De Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD, Richtlijn (EU) 2022/2464) verplicht grote ondernemingen om volgens de Europese duurzaamheidsstandaarden (ESRS) te rapporteren. Een daarvan, de klimaatstandaard ESRS E1, vraagt onder meer om de scope 2-uitstoot.

Wie nog rapportageplichtig is

De Omnibus I-richtlijn (Richtlijn (EU) 2026/470), in werking sinds 18 maart 2026, beperkt de reikwijdte van de CSRD. Onder de nieuwe regels geldt de plicht voor ondernemingen met gemiddeld meer dan 1.000 werknemers en een netto-omzet van meer dan € 450 miljoen. Een onderneming moet beide grenzen overschrijden. Voorheen gold onder meer een grens van 250 werknemers. Voor groepen met een moeder buiten de EU gelden aparte omzetgrenzen.

De nieuwe reikwijdte geldt voor boekjaren die op of na 1 januari 2027 beginnen, met de eerste verslagen in 2028. Lidstaten mogen ondernemingen die eerder rapportageplichtig waren maar door Omnibus I buiten de reikwijdte vallen, vrijstellen voor de boekjaren 2025 en 2026. Op 3 juli 2026 heeft de Europese Commissie vereenvoudigde ESRS vastgesteld, eveneens voor boekjaren vanaf 2027.

Omnibus I moet uiterlijk op 19 maart 2027 in nationale wetgeving zijn omgezet. Het Nederlandse wetsvoorstel om de CSRD om te zetten (36.678) is op 13 januari 2025 bij de Tweede Kamer ingediend en was op 25 september 2026 nog in behandeling.

Informatievragen uit de keten

Ook wie niet rapportageplichtig is, merkt de CSRD via afnemers en opdrachtgevers die om energie- en uitstootgegevens vragen. Omnibus I begrenst die vragen. Van ketenpartners met maximaal 1.000 werknemers mag een CSRD-plichtige onderneming niet meer informatie eisen dan de vrijwillige rapportagestandaard (VSME) omvat. Vraagt zij toch meer, dan moet zij dat erbij vermelden en mag de ketenpartner die extra informatie weigeren.

Wat scope 2 omvat

Het Greenhouse Gas Protocol (GHG Protocol) verdeelt de uitstoot van een organisatie over drie scopes.

Scope 1
Directe uitstoot uit eigen bronnen, zoals een gasketel.
Scope 2
Indirecte uitstoot bij de opwekking van de elektriciteit, warmte, stoom en koeling die u inkoopt.
Scope 3
Alle overige uitstoot in de keten.

Koopt u geen warmte, stoom of koeling in, dan gaat scope 2 in de praktijk over elektriciteit. Hoeveel u verbruikt, staat in de meetdata van uw aansluitingen. De vraag is welke emissiefactor u daarop toepast.

Twee rekenmethoden: locatiegebaseerd en marktgebaseerd

De locatiegebaseerde methode (location-based) rekent met de gemiddelde emissie-intensiteit van het net waarop u verbruikt. Inkoopkeuzes spelen daarbij geen rol.

De marktgebaseerde methode (market-based) haalt de emissiefactor uit de contractuele instrumenten bij uw inkoop, zoals Garanties van Oorsprong (GvO's). Voor verbruik zonder geldig instrument gebruikt u de residual mix: de emissiefactor van de netstroom waarvan de herkomst niet al door anderen is geclaimd.

In een markt waar zulke instrumenten bestaan, zoals de Nederlandse, rapporteert u beide uitkomsten naast elkaar en vermeldt u bij elk cijfer de methode (dual reporting). Ook ESRS E1 vraagt beide, in ton CO₂-equivalent. EFRAG hield daaraan vast in zijn technisch advies van december 2025 over de vereenvoudigde ESRS.

Rekenvoorbeeld, fictieve waarden. Een organisatie verbruikt in een jaar 1.000.000 kWh. Voor 600.000 kWh zijn Nederlandse GvO's uit windenergie op haar naam afgeboekt. Ook de emissiefactoren zijn fictief.

Locatiegebaseerd300 t CO₂-eq1.000.000 kWh × 0,30 kg/kWh (netgemiddelde)= 300.000 kg = 300 t CO₂-eq
Marktgebaseerd180 t CO₂-eq600.000 kWh × 0 kg/kWh (GvO wind)+ 400.000 kWh × 0,45 kg/kWh (residual mix)= 180.000 kg = 180 t CO₂-eq
Rekenvoorbeeld, fictieve waarden. Scope 2 van hetzelfde jaarverbruik volgens beide methoden.

Het locatiegebaseerde cijfer verandert door de GvO's niet. Dat gaat pas omlaag als u minder verbruikt of de gemiddelde uitstoot van het net afneemt. De residual mix kan hoger liggen dan het netgemiddelde, omdat de duurzame stroom die anderen al claimen eruit is gehaald.

Gegevensbronnen voor de marktgebaseerde methode

De Scope 2 Guidance zet de gegevensbronnen voor de marktgebaseerde methode in een rangorde, van meest naar minst precies. Een instrument telt alleen mee als het aan de kwaliteitscriteria verderop voldoet.

GegevensbronToelichting
Certificaten, zoals GvO'sLos gekocht, meegeleverd door de leverancier of overgedragen in een contract met een opwekker.
Contracten met een specifieke bronAls er geen certificaat bestaat en het contract de eigenschappen van de stroom overdraagt.
Emissiefactor van de leverancierDe factor die uw leverancier bekendmaakt voor zijn standaardlevering of voor uw specifieke product.
Residual mixVoor verbruik zonder geldig instrument.
Gemiddelde netfactorAlleen als geen van de bronnen hierboven beschikbaar is.

Garanties van Oorsprong

Per 1.000 kWh duurzaam opgewekte stroom geeft VertiCer in Nederland één GvO uit. Dat digitale certificaat vermeldt onder meer de energiebron, de installatie en het moment en de plaats van opwekking. Een GvO is geldig tot één jaar na de maand van opwek. De herkomst komt pas aan u toe als de GvO's ten behoeve van uw organisatie zijn afgeboekt. Het blijft een administratief bewijs, dat niets zegt over de fysieke stroom op uw aansluiting. Meer over de werking van GvO's leest u bij Garanties van Oorsprong.

Eigen opwek en contracten met een opwekker

Stroom die u met een eigen installatie opwekt en zelf verbruikt, telt niet mee in scope 2, zolang u de GvO's ervan niet verkoopt. Na verkoop van die GvO's behandelt u dat verbruik alsof het van het net komt, met de emissiefactoren van beide methoden. Bij rechtstreekse inkoop bij een opwekker bepaalt het contract wie de GvO's krijgt. Verkoopt de opwekker ze apart aan een derde, dan kunt u de herkomst van die opwekker niet claimen.

Acht kwaliteitscriteria voor instrumenten

Het GHG Protocol stelt acht minimumeisen aan instrumenten in de marktgebaseerde methode. Samen moeten ze voorkomen dat dezelfde kWh twee keer wordt geclaimd. In verkorte vorm:

  1. Emissie-eigenschapHet instrument draagt de emissie-eigenschap van de opgewekte stroom over.
  2. Eén claim per opgewekte kWhGeen ander instrument claimt dezelfde opwek.
  3. AfboekingAfboeken gebeurt door of namens uw organisatie, in een systeem dat het instrument volgt.
  4. TijdUitgifte en afboeking liggen zo dicht mogelijk bij de periode van verbruik.
  5. MarktInstrument en verbruik horen bij dezelfde markt.
  6. Emissiefactor van de leverancierDie is gebaseerd op de geleverde stroom, inclusief de certificaten die voor klanten zijn afgeboekt.
  7. Directe inkoop en eigen opwekAlleen u ontvangt de claim, geen andere eindgebruiker.
  8. Residual mixEr is een residual mix beschikbaar, of u vermeldt dat die ontbreekt.

Voldoet een instrument niet, dan gebruikt u voor dat verbruik de volgende gegevensbron uit de rangorde.

Welke documentatie u bewaart

De Scope 2 Guidance vraagt onder meer dat u vermeldt welke methode en soorten instrumenten u gebruikt en welk basisjaar u kiest. Wie uw cijfers controleert, moet elke kWh kunnen herleiden van meter tot emissiefactor. Bewaar daarom per verslagjaar:

  • een overzicht van uw aansluitingen (EAN-codes) binnen de rapportagegrens, met het verbruik uit meetdata en facturen;
  • afboekbewijzen van uw GvO's, met volume, energiebron, productieland, productieperiode en de naam waarop is afgeboekt;
  • contracten met uw leverancier of opwekkers waarin staat wie de GvO's ontvangt;
  • de emissiefactoren die u voor beide methoden gebruikte, met bron en versie;
  • een vergelijking van afgeboekt volume en verbruik per land en periode;
  • uw methodekeuzes en een toelichting bij wijzigingen.

Koopt u GvO's centraal in voor meerdere locaties, geef dan aan hoe u ze over die locaties verdeelt. Hoe meetdata per aansluiting worden vastgelegd, leest u bij EAN-codes en meetdata.

Scope 2 en de CO₂-Prestatieladder

Bij aanbestedingen komt scope 2 terug via de CO₂-Prestatieladder, een Nederlands certificeringsinstrument dat SKAO beheert. Aanbesteders kunnen certificering belonen met gunningsvoordeel. Trede 1 van handboek 4.0 gaat over reductie in de eigen organisatie, dus scope 1 en 2.

Handboek 4.0 vraagt het elektriciteitsverbruik zowel locatiegebaseerd als marktgebaseerd om te rekenen; handboek 3.1 kende alleen de marktgebaseerde methode. Gecertificeerde organisaties stappen uiterlijk bij de eerste audit na 14 januari 2027 over op 4.0.

Voor de ladder telt stroom alleen als groen wanneer die uit zon, wind, water of biomassa komt en is opgewekt in het land van verbruik. Voor verbruik in Nederland zijn dus Nederlandse GvO's nodig. Dat is strenger dan het GHG Protocol, dat de EU als één markt voor certificaten ziet.

Wat de herziening van de Scope 2 Guidance voorstelt

De publieke consultatie over een nieuwe versie van de Scope 2 Guidance liep van 20 oktober 2025 tot 31 januari 2026. Het voorstel bevat onder meer:

  • matching per uur tussen opwek en verbruik;
  • de eis dat instrumenten binnen hetzelfde marktgebied fysiek leverbaar zijn;
  • een vrijstelling van die uurmatching voor kleinere organisaties;
  • een overgangsregeling voor bestaande contracten.

Op 29 juli 2026 verscheen een samenvatting van de reacties. De herziening is nog niet vastgesteld en heeft geen officiële ingangsdatum; tot die tijd geldt de versie uit 2015.

Komt er een eis van matching per uur, dan kunnen gegevens per kwartier over het moment van duurzame opwek en verbruik van pas komen. Of die volstaan, hangt af van de definitieve tekst. Hoe matching per kwartier werkt, leest u bij Gelijktijdigheid en lokale matching.

Wat betekent dit voor uw organisatie

Overschrijdt uw organisatie beide nieuwe drempels, dan rapporteert u scope 2 op beide manieren en onderbouwt u het marktgebaseerde cijfer met instrumenten die aan de criteria voldoen. Blijft u eronder, dan kunt u dezelfde gegevens nodig hebben voor vragen van afnemers, de CO₂-Prestatieladder of uw eigen klimaatdoelen.

Bij Cedrus Trading komen die gegevens uit twee bronnen:

  • Uit de Cedrus Energy Manager haalt u het verbruik per kwartier voor elke aansluiting, locatie en project, en daarmee het volume voor beide methoden. Daar maakt u ook rapportages voor management, controller, auditor of uw ESG- of CSRD-verslag.
  • Met EAN2EAN wordt stroom van een lokale opwekker per kwartier virtueel aan uw verbruik toegewezen (gematcht). De herkomst van het gematchte deel is per kwartier te herleiden en de GvO's worden digitaal meegegeven.

Of uw rapportage voldoet aan de CSRD, het GHG Protocol of de CO₂-Prestatieladder, bepalen uw methode, uw rapportagegrens en uiteindelijk het oordeel van uw accountant of certificerende instelling. Onze diensten maken een rapportage niet vanzelf sluitend. Wel bespreekt uw adviseur welke gegevens u per aansluiting nodig heeft en hoe u die verzamelt.

Bronnen

Laatst bijgewerkt: